Arbeidsmarkt Cultuursector

performers platform

Voorwoord

Om een beter beeld te krijgen van de gevolgen van de economische crisis en bezuinigingen heeft de Raad voor Cultuur (RvC) in zijn Agenda Cultuur 2017 – 2020 en verder aangekondigd gezamenlijk met de Sociaal-Economische Raad (SER) een verkenning uit te willen voeren naar de arbeidsmarktsituatie in de cultuursector. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dit initiatief ondersteund. Zij heeft beide raden gevraagd om in de verkenning in elk geval aandacht te schenken aan de gevolgen van de bezuinigingen voor het aantal vaste krachten, zzp’ers, stagiairs en vrijwilligers in de cultuursector.

De raden concluderen dat de arbeidsmarktsituatie in de cultuursector zorgwekkend is. De combinatie van dalende werkgelegenheid, een relatief hoge kans op werkloosheid, lage en dalende inkomens, een slechte onderhandelingspositie voor werknemers en zzp’ers, het vaak niet verzekerd zijn voor inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid en een geringe pensioenopbouw, maakt de positie van werkenden kwetsbaar.
Veel trends en knelpunten op de Nederlandse arbeidsmarkt zijn in de cultuursector uitvergroot zichtbaar. Deze verkenning is daarom niet alleen relevant voor de sector zelf, maar ook voor de economie als geheel.

De verkenning geeft naar ons idee goede aanknopingspunten om tot aanbevelingen te komen over de aanpak van structurele problemen op de arbeidsmarkt. Beide raden zijn graag bereid daarover te adviseren. De RvC zal de uitkomsten van deze verkenning op korte termijn gebruiken om tot een advies te komen over de besteding van 2 miljoen euro die eenmalig per amendement van de Tweede Kamer beschikbaar is gekomen voor de verbetering van de situatie op de arbeidsmarkt.

In november 2015 hebben in het kader van de verkenning vier rondetafelgesprekken plaatsgevonden. Hierbij schoven onder andere werkgevers/opdrachtgevers en zelfstandigen uit de cultuursector, vertegenwoordigers van branche- en koepelorganisaties en deskundigen uit de wetenschap en overheid aan. Wij danken de deelnemers voor hun inbreng; zij hebben de discussie verrijkt.
De verkenning is voorbereid door een commissie – met leden namens de SER en namens de RvC – onder voorzitterschap van prof. mr. E. (Evert) Verhulp.

Samenvatting en conclusies

De Raad voor Cultuur (RvC) heeft in zijn Agenda Cultuur 2017 – 2020 en verder aangekondigd gezamenlijk met de Sociaal-Economische Raad (SER) een verkenning uit te willen voeren van de arbeidsmarkt in de cultuursector. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dit initiatief ondersteund en de SER gevraagd deze verkenning samen met de RvC uit te voeren. De minister heeft beide raden verzocht om in de verkenning in elk geval aandacht te schenken aan de gevolgen van de bezuinigingen voor het aantal vaste krachten, zzp’ers, stagiairs en vrijwilligers in de cultuursector.

De RvC en de SER hebben een gezamenlijke adviescommissie aangesteld. Deze commissie heeft voor de arbeidsmarktverkenning gebruik gemaakt van beschikbare onderzoeksgegevens en literatuur. Daarnaast is een viertal rondetafelgesprekken gevoerd met personen en organisaties uit of met betrokkenheid bij de cultuursector.
In deze samenvatting worden de belangrijkste bevindingen en conclusies van de verkenning op een rij gezet. Ook zijn maatschappelijke en beleidsrelevante thema’s benoemd die uit de verkenning naar voren zijn gekomen.

Economische crisis en bezuinigingen

De cultuursector is sterk geraakt door de economische crisis. Met name de creatieve zakelijke dienstverlening kreeg in de eerste jaren van de crisis direct te maken met de gevolgen van verminderende consumentenbestedingen, vraaguitval en financiële krapte.
Een deel van de culturele en creatieve instellingen in de sector ontvangt overheidssubsidie. Dit deel werd hierdoor enigszins beschermd toen de eerste gevolgen van de economische crisis zich aandienden.

Voor de gesubsidieerde instellingen vormen de afgenomen overheidsbestedingen een belangrijke ontwikkeling. De totale omvang van overheidsbezuinigingen – Rijk, provincies en gemeenten – is moeilijk vast te stellen. Zo is de totale bezuiniging op cultuur wel in kaart gebracht, maar de provincies en gemeenten publiceren geen meerjarige overzichten van cultuurbestedingen, waardoor cijfers beperkt zijn tot totaalbedragen.

De rijksoverheid heeft vanaf 2013 200 miljoen euro bezuinigd op cultuur, waarvan 125 miljoen euro op uitgaven aan de Culturele Basisinfrastructuur (BIS). Provincies hebben gezamenlijk 23 procent op cultuur bezuinigd en besteden in 2015 nog 254 miljoen euro aan cultuur, 74 miljoen minder dan in 2011. Gemeenten hebben in de periode 2011 tot en met 2014 circa 250 miljoen euro bezuinigd op cultuur. Die bezuinigingen hebben vooral betrekking op muziekscholen, bibliotheken en kunstencentra. Een deel van de gemeentelijke bezuinigingen moet nog zijn beslag krijgen. Overigens zijn er tussen provincies en tussen gemeenten grote verschillen in de mate waarin zij op cultuur bezuinigen.

Arbeidsmarkt cultuursector

Sterke stijging zelfstandigen
De cultuursector is een relatief kleine sector. In 2013 telde de sector 143 duizend banen van werknemers en 106 duizend zelfstandigen. Dat is circa 3 procent van de werkende beroepsbevolking.
Het aantal zelfstandigen in de cultuursector is in de periode 2009 tot en met 2013 sterk gestegen. Met een groei van 20,4 procent is die stijging veel sterker dan in de economie als geheel, waar het aantal zelfstandigen met 9,6 procent is toegenomen. Tegelijkertijd is het aantal banen van werknemers in deze periode verhoudingsgewijs sterk gedaald. Het aantal banen daalde met 12,3 procent tegen 2,5 procent in de economie als geheel.

20 duizend banen van werknemers minder
In de periode 2009 tot en met 2013 zijn in de cultuursector circa 20 duizend banen van werknemers verloren gegaan, waarvan de helft in 2013. De daling van het aantal banen van werknemers in de cultuursector geldt voor elk van de drie domeinen die het CBS onderscheidt: kunsten en erfgoed (-12,3 procent); media & entertainment (-11,1 procent); creatieve zakelijke dienstverlening (-13,6 procent).

Bij de culturele instellingen met rijkssubsidie werkten eind 2013 ruim 13 procent minder mensen in loondienst dan in 2010. In arbeidsjaren (fte’s) daalde de werkgelegenheid nog iets sterker, namelijk met bijna 15 procent. Ook het aandeel voltijdbanen is in genoemde periode afgenomen. Tijdens de rondetafelgesprekken is hierover naar voren gebracht dat sommige instellingen op hun kosten besparen door voltijdbanen om te zetten in deeltijdbanen met een omvang van bijv. 0,8 fte, waarbij de omvang van de werkzaamheden gehandhaafd blijft.

Door de economische crisis en de bezuinigingen is het aantal lopende WW-uitkeringen van werklozen afkomstig uit culturele instellingen in de periode 2009 tot en met 2014 met een derde toegenomen. In 2014 daalt de werkloosheid in de sector weer licht. De werkloosheid in de sector is verhoudingsgewijs hoog. Het aantal nieuwe en lopende WW-uitkeringen per 100 verzekerden ligt ongeveer twee keer zo hoog als in de economie als geheel.

Aandeel tijdelijke banen neemt toe
Behalve dat het aantal banen is gedaald, hebben werknemers in de cultuursector ook relatief vaak en in toenemende mate een tijdelijk dienstverband. Zo nam het aandeel werknemers van gesubsidieerde instellingen met een tijdelijk dienstverband toe van 34 procent in 2010 tot 37 procent in 2013. Dit is hoog vergeleken met Nederland als geheel, waar in 2013 25 procent van de werknemers een tijdelijk dienstverband heeft dan wel op uitzend- of oproepbasis werkt.
Tijdens de rondetafelgesprekken kwam onder meer naar voren dat culturele instellingen terughoudend zijn om mensen in vaste dienst te nemen. Dit heeft te maken met het feit dat vaak sprake is van projectgebonden en/of projectspecialistische werkzaamheden en/of met de (gepercipieerde) kosten die zijn verbonden aan de arbeidsovereenkomst.

60 procent van de kunstenaars is zelfstandige
De cultuursector kent een groot aandeel zelfstandigen. Deels heeft dit te maken met de aard van bepaalde beroepen in de sector. Het aandeel van zelfstandigen neemt ook toe. In de periode 2009-2013 is het aandeel zelfstandigen in de cultuursector gestegen van 35 procent naar 42 procent. In de economie als geheel lag het aandeel in 2013 met 16 procent een stuk lager.

De sterkste stijging van zelfstandigen in de cultuursector vond plaats in het domein kunsten en erfgoed (22,8 procent). In de creatieve zakelijke dienstverlening nam het aantal zelfstandigen toe met 21,4 procent. In het domein media & entertainment steeg het aantal zelfstandigen in genoemde periode met 14,6 procent.

Met name in de cultuureducatie is duidelijk een omschakeling zichtbaar van arbeid in loondienst naar zelfstandige beroepsuitoefening: als gevolg van gemeentelijke bezuinigingen zijn veel muziekscholen opgeheven en oefenen muziekdocenten die eerder in loondienst werkzaam waren, hun beroep nu uit als zelfstandige. Een vergelijkbare ontwikkeling is ook zichtbaar bij orkesten en koren.

Vooral kunstenaars werken vaak als zelfstandige. Uit CBS-cijfers blijkt dat in de periode 2010-2012 circa 60 procent van de kunstenaars zelfstandige was. Bij de andere creatieve beroepen lag dat gemiddeld op ongeveer 40 procent. Van de beeldende kunstenaars was zelfs 90 procent zelfstandige, van de ontwerpende kunstenaars de helft, van de uitvoerende kunstenaars ruim tweederde en van de schrijvers en overige kunstenaars 63 procent.

ZZP’ers: bewuste keuze of noodzaak?
De motieven om zelfstandig werkzaam te zijn verschillen. Er zijn zelfstandigen in de sector voor wie zelfstandigheid een bewuste keuze is, die vooral is ingegeven door de behoefte om zo veel mogelijk vrij en onafhankelijk hun beroep te kunnen uitoefenen.
Er zijn daarnaast ook zelfstandigen die zich genoodzaakt zien hun beroep als zelfstandige uit te oefenen, omdat zij niet – of niet meer – de mogelijkheid hebben dit in loondienst te doen. Sommige beroepen komen overigens niet of nauwelijks in loondienst voor.

Instellingen in de sector hebben uiteenlopende (zakelijke) motieven om al dan niet met zelfstandigen te werken. Voor een deel komt dit omdat in de sector in toenemende mate projectmatig wordt gewerkt. Ook zijn er instellingen die aangeven dat zij het zich financieel niet (meer) kunnen permitteren om vaste dienstverbanden aan te gaan en daarom zelfstandigen inschakelen. Op die manier besparen zij kosten en verschaffen zij zich de flexibiliteit waartoe zij zich met name onder druk van financiële beperkingen genoodzaakt voelen.

Kunstenaars hebben vaker meer dan één werkkring
In de cultuursector zijn hybride arbeidsrelaties, waarbij een zelfstandige tevens werkzaamheden in loondienst verricht, veel voorkomend. Soms gebeurt dat binnen het vakgebied, een beeldend kunstenaar is bijvoorbeeld tevens docent op een kunstvakopleiding), maar ook regelmatig daarbuiten.
In de cultuursector komt het combineren van banen of werkkringen vaker voor dan in de economie als geheel. Van de kunstenaars had 17 procent in de periode 2010-2012 meer dan één werkkring tegen 7 procent van alle werkzame personen in Nederland. Het combineren van banen is vaak nodig vanwege de kwetsbare inkomenspositie.

Aantal vrijwilligers neemt toe
De cultuursector is een aantrekkelijk werkdomein voor vrijwilligers. Omgekeerd zijn vrijwilligers van groot belang voor culturele instellingen. Bezuinigingen en een meer projectmatige werkwijze maken het gebruik van vrijwilligers in toenemende mate nodig. Een aantal deelsectoren maakt daarom veel en steeds meer gebruik van vrijwilligers. Dit geldt bijvoorbeeld voor openbare bibliotheken en musea, maar ook voor theaters en podia. In openbare bibliotheken bestaat inmiddels de helft van de medewerkers uit vrijwilligers en in musea is de inzet van onbetaalde krachten (vrijwilligers en stagiairs) tussen 2005 en 2013 met 82 procent gestegen. Bij de theaters en podia is het aantal vrijwilligers in de periode 2005-2014 met 78 procent gegroeid en zijn er in 2014 meer vrijwilligers dan werknemers actief.

Voor de grote, en in sommige deelsectoren groeiende inzet van vrijwilligers in de cultuursector worden onder meer als verklaringen genoemd: meer gepensioneerden en werklozen om dit werk te doen, toenemende belangstelling voor vrijwilligerswerk in de cultuursector, de introductie van werkzaamheden/diensten die daarvoor niet plaatsvonden en lagere budgetten van cultuurinstellingen. De groei van het aantal vrijwilligers kan erop wijzen dat zij betaalde krachten verdringen. Anderzijds kan de toename ook het gevolg zijn van het introduceren van nieuwe werkzaamheden die er vroeger niet waren. Ook is het juist mede dankzij de inzet van vrijwilligers mogelijk bijvoorbeeld festivals (met bijbehorende werkgelegenheid) te houden.

Stages en werkervaringsplaatsen als springplank naar de arbeidsmarkt
Over het aantal stagiairs in de sector en op de Nederlandse arbeidsmarkt in zijn geheel zijn beperkt statistische gegevens beschikbaar; deze hebben betrekking op stagiairs die in het kader van een opleiding tewerk zijn gesteld en daarvoor minder dan een marktconforme beloning ontvangen. Volgens het CBS is deze groep in de cultuursector in de periode 2009–2013 gestegen van 3750 naar 4100 en werken de meeste stagiairs in de creatieve zakelijke dienstverlening.

Bij deze cijfers moet worden bedacht dat daarnaast sprake kan zijn van onbetaalde stages, en dat betekent dat deze statistisch niet in beeld komen. Er zijn signalen dat met name startende kunstenaars zich genoodzaakt voelen een stage of werkervaringsplaats als springplank naar de arbeidsmarkt te gebruiken. Het afschaffen van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK) kan hierbij een rol spelen. Deelnemers aan de rondetafelgesprekken hebben de indruk dat voor sommige, specifieke activiteiten meer gebruik wordt gemaakt van stagiairs dan voorheen.

Maatschappelijke en beleidsrelevante thema’s

Uit de gepleegde verkenning is een aantal vraagstukken of thema’s af te leiden met relevantie voor de maatschappij en beleid.

Veel lage inkomens
Mensen die in de cultuursector werkzaam zijn, hebben over het geheel genomen een laag persoonlijk inkomen. Dat geldt in het bijzonder voor de zelfstandigen. Afgestudeerden van het kunstvakonderwijs verdienen bij hun start op de arbeidsmarkt minder dan andere afgestudeerden van hun opleidingsniveau en halen die achterstand niet in. Ook zijn ze vaker afhankelijk van een uitkering. De helft van de mensen met een creatief beroep heeft een jaarinkomen van minder dan 30 duizend euro. Bij andere beroepen van vergelijkbaar niveau is dat nog geen 20 procent. WW- en bijstandsuitkeringen komen onder kunstenaars vaker voor dan onder de gehele beroepsbevolking. Vaak is het inkomen van een partner nodig om een gemiddeld huishoudinkomen te verdienen.

De zwakke inkomenspositie is ook naar voren gebracht tijdens de rondetafelgesprekken en via schriftelijk geleverde inbreng vanuit het veld. In die gesprekken geven zzp’ers aan dat hun inkomen in de afgelopen jaren is gedaald doordat er minder geld beschikbaar is, in combinatie met een sterke concurrentie tussen aanbieders.
Op grote delen van de arbeidsmarkt van de cultuursector is te zien dat het aanbod van arbeid slechts beperkt reageert op de prijsdaling. Een van de verklaringen hiervoor is dat aanbieders dermate gespecialiseerd opgeleid zijn dat zij zich niet of nauwelijks op een andere markt kunnen begeven (bijvoorbeeld een klassiek geschoolde zanger). Andere verklaringen zijn dat aanbieders een lage prijs accepteren omdat zij: a) het acteren op deze markt beschouwen als een investering in zichzelf; b) de opbrengsten maar een deel van hun inkomsten vormen en c) zij zo gepassioneerd zijn voor hun vak dat zij de lage prijs voor lief nemen. Tijdens de rondetafelgesprekken is naar voren gebracht dat ook nogal eens zonder honorarium wordt gewerkt om toch maar het eigen beroep te kunnen uitoefenen en zo ook de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Zwakke onderhandelingspositie
Over het algemeen hebben zowel werknemers als zelfstandigen een zwakke onderhandelingspositie in de cultuursector. Niet alleen is de sociale dialoog op sectorniveau over het algemeen zwak ontwikkeld, ook hebben individuele werknemers en zelfstandigen ten opzichte van werkgevers en opdrachtgevers beperkte onderhandelingsmacht. Het maakt uit of iemand tot de top behoort. In diverse onderdelen van de sector zijn echter veel aanbieders op de markt, dus al snel geldt het adagium ‘voor jou tien anderen’.
Omdat zelfstandigen met opdrachtgevers in gesprek gaan over de inhoud van hun werk/diensten, ervaren zij in de praktijk vaak ongemak wanneer stevig over hun honorarium onderhandeld moet worden.

Minimum tariefafspraken
Tijdens de rondetafelgesprekken kwam aan de orde dat in bepaalde deelsectoren en bij sommige zelfstandigen er behoefte is aan collectieve (minimum)tariefafspraken (over honorarium en intellectueel eigendom). Het mededingingsrecht is hierin een belemmering. Dat verbiedt immers tariefafspraken voor ‘echte’ zelfstandigen. Volgens recente jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie is het echter toegestaan in bepaalde gevallen een uitzondering te maken.
Opvallend is dat juist in de cultuursector enkele voorbeelden zijn te vinden van cao’s met afspraken over tarieven en honorering van zelfstandigen (remplaçanten, architecten).

Exploitatievergoeding onder druk
Om de contractuele positie van auteurs en uitvoerend kunstenaars ten opzichte van de exploitanten van hun werken te verbeteren, is medio 2015 de Wet auteurscontractenrecht in werking getreden. Tijdens de rondetafelgesprekken kwam aan de orde dat in de praktijk echter toch sprake lijkt te zijn van een inkomstendaling doordat de honoraria omlaag gaan en/of de exploitatievergoeding niet of onvoldoende terecht komt bij de maker.

Meestal niet verzekerd
Zelfstandigen hebben zich vaak niet verzekerd tegen inkomensverlies door ziekte of arbeidsongeschiktheid. Tijdens de rondetafelgesprekken werd aangegeven dat men het ontbreken van een dergelijke verzekering als een gemis ervaart, maar dat men een private arbeidsongeschiktheidsverzekering te duur vindt. Om zich enigermate in te dekken tegen inkomensverlies door ziekte/arbeidsongeschiktheid, kiezen sommige zzp’ers voor deelname aan een broodfonds.
Omdat zzp’ers vaak onvoldoende financiële ruimte hebben, krijgt pensioenopbouw in de praktijk weinig prioriteit.

Ervaren belemmeringen bij tijdelijke contracten
In delen van de cultuursector bestaat behoefte aan verruiming van de wettelijke ‘ketenbepaling’ met betrekking tot arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Met de Wet werk en zekerheid en het einde van de overgangsregeling per 1 juli 2016 is de mogelijkheid om meerdere arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd af te sluiten echter aanzienlijk beperkt. Uit de rondetafelgesprekken komt naar voren dat werkgevers vanwege de onzekere financiële situatie en projectmatige werkzaamheden hierdoor terughoudend zijn geworden om mensen een contract aan te bieden. Er geldt nu een uitzondering voor onder meer de functies van remplaçant, danser en acteur, waarbij met name het feit dat veelal of uitsluitend projectgebonden wordt gewerkt gewicht in de schaal heeft gelegd. Ook vanuit andere sectoren, bijvoorbeeld het kunstvakonderwijs en de ontwerpsector is er een roep om meer ruimte voor het aangaan van tijdelijke contracten.

Zelfstandigenaftrek belangrijk voor cultuursector
Naar aanleiding van de politieke discussie over mogelijke afschaffing of beperking van de zelfstandigenaftrek, bestaat er onder zelfstandigen zorg over de gevolgen hiervan. Gezien het al eerder afschaffen van de WWIK en de zwakke inkomenspositie van veel zzp’ers draagt de zelfstandigenaftrek er in belangrijke mate aan bij dat zelfstandigen kunnen voorzien in hun kosten voor levensonderhoud. Afschaffing van de zelfstandigenaftrek zou met name voor deze groep tot relatief grote negatieve inkomenseffecten leiden.

Onzekerheid over effecten DBA
Behalve over de zelfstandigenaftrek zijn er bij zelfstandigen zorgen en onzekerheid over de effecten van de voorgenomen afschaffing van de VAR zoals voorzien in het wetsvoorstel Deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA).

Belang van scholing
Onder meer uit een aantal sectorplannen komt naar voren dat het belang van scholing in de cultuursector wordt onderkend. Ook in de rondetafelgesprekken is het belang van bijscholing genoemd. In delen van de cultuursector heeft men te maken met trends waardoor bijvoorbeeld docenten zich moeten blijven bijscholen. Tijdens rondetafelgesprekken is naar voren gebracht dat er in onderdelen van de sector geen ruimte is om mensen ‘op scholing te sturen’ of te werken aan duurzame inzetbaarheid. Dat heeft zowel met (te weinig) geld als met (te hoge) werkdruk te maken. Daarnaast is scholing in de cultuursector doorgaans weinig in de bedrijfsvoering verankerd.

Het Sectorplan Cultuur dat werkgevers- en werknemersorganisaties en sociale fondsen in de sector in 2014 gezamenlijk hebben opgesteld, bevat uiteenlopende maatregelen gericht op duurzame inzetbaarheid en mobiliteit. Een deel van de scholingsmaatregelen heeft ook expliciet betrekking op zzp’ers. Ook is het de bedoeling dat het HRM-beleid binnen de sector een impuls krijgt.

Podiumkunstenaars zoals acteurs en musici kunnen vaak niet hun beroep gedurende hun hele loopbaan blijven uitoefenen. Met name dansers hebben een korte professionele carrière. Voor deze beroepsgroep bestaat reeds enige decennia een omscholingsregeling, zodat dansers hulp en financiële ondersteuning krijgen bij het kiezen van een tweede loopbaan. Daarnaast hebben sociale partners in het kader van het sectorplan Cultuur afgesproken een transitiefonds in te richten om dansers en podiumkunstenaars aan het einde van hun carrière om te scholen.

Conclusies

De algemene conclusie op grond van deze verkenning is dat de arbeidsmarktsituatie van veel werkenden in de cultuursector zorgelijk is door de combinatie van een relatief hoge kans op werkloosheid, lage inkomens, een slechte onderhandelingspositie, het vaak niet verzekerd zijn voor arbeidsongeschiktheid en geringe pensioenopbouw. Hierna worden de meest in het oog springende conclusies opgesomd:
– het al hoge aandeel zelfstandigen in de cultuursector is tussen 2009 en 2013 nog verder gestegen; een stijging die aanmerkelijk sterker is dan in de economie als geheel;
– er zijn tussen 2009 en 2013 ca. 20 duidend banen van werknemers verloren gegaan; het banenverlies is verhoudingsgewijs veel sterker dan in de economie als geheel;
– vanwege de financiële risico’s en projectmatige werkzaamheden bestaat er terughoudendheid bij het aangaan van vaste contracten; het aandeel werknemers met een tijdelijk contract neemt toe;
– in bepaalde deelsectoren zoals musea, bibliotheken en theaters en podia neemt het aantal vrijwilligers toe; enerzijds kan dit te maken hebben met nieuwe, nog onbetaalde werkzaamheden waarvoor vrijwilligers worden ingezet; anderzijds kan dit een aanwijzing zijn dat in sommige deelsectoren verdringing van betaalde krachten plaatsvindt;
– er zijn signalen dat voor een aantal specifieke activiteiten meer dan voorheen gebruik wordt gemaakt van stagiairs en dat pas afgestudeerden via onbetaalde stages en werkervaringsplaatsen hun kansen op de arbeidsmarkt proberen te vergroten;
– bij de ontwikkelingen in werkgelegenheid en arbeidsrelaties is er een relatie met de economische crisis en deels ook met de bezuinigingen op cultuur;
– over het algemeen hebben mensen die werkzaam zijn in de cultuursector een laag en vaak ook onregelmatig inkomen;
– daarbij komt dat de al lage inkomens in de sector onder druk staan, zowel in gesubsidieerde als niet-gesubsidieerde delen van de sector;
– de onderhandelingspositie van werknemers en zelfstandigen in de cultuursector is over het algemeen zwak, onder meer vanwege beperkte onderhandelingsmacht, maar ook omdat veelal inhoudelijke gedrevenheid voorop wordt gesteld en onderhandelingsvaardigheden zwak ontwikkeld zijn; dit geldt zowel voor de sociale dialoog op sectorniveau als voor de onderhandelingen tussen individuele werknemers en werkgevers en tussen opdrachtgevers en opdrachtnemers;
– in de sector, met verhoudingsgewijs veel zelfstandigen met lage inkomens, zijn zzp’ers bezorgd dat zij na de voorgenomen afschaffing van de VAR in het kader van het wetsvoorstel DBA en eventuele afschaffing/beperking van de zelfstandigenaftrek moeten stoppen als zzp’er; de zelfstandigenaftrek wordt beschouwd als een belangrijke inkomensondersteuning;
– in sommige deelsectoren is er behoefte aan het maken van (minimum)tariefafspraken en vormen de beperkingen die het mededingingsrecht daaraan stelt een belemmering;
– aannemelijk is dat de overgrote meerderheid van de zelfstandigen in de cultuursector zich niet verzekert tegen inkomensverlies als gevolg van ziekte en arbeidsongeschiktheid; uit rondetafelgesprekken komt naar voren dat men een private verzekering te duur vindt;
– ook is er vaak onvoldoende financiële ruimte voor het opbouwen van een oudedagsvoorziening;
– in de cultuursector wordt het belang van omscholing en bijscholing erkend. Er zijn bijvoorbeeld positieve ervaringen met de omscholingsregeling voor dansers, die het einde van hun danscarrière hebben bereikt.
– via het sectorplan Cultuur werken sociale partners en overheid gezamenlijk aan het verduurzamen van de arbeidsmarkt in de cultuursector.

Download hier het volledige rapport (pdf)
Rapportage Verkenning Arbeidsmarkt Cultuursector RvC en SER d.d. 22 januari 2016