Inkomenspositie

Inleiding

In januari 2009 is het rapport ‘Pop, wat levert het op?’ verschenen. Dit onderzoek levert een duidelijk beeld van de inkomenspositie van een dwarsdoorsnede van musici die in Nederland beroepsmatig met hun vak bezig (willen) zijn en die hoofdzakelijk of uitsluitend popmuziek (in ruime zin) maken. Hieruit kwamen onder andere de volgende hoofdzaken naar voren:
• De modale popmusicus heeft een bruto jaarinkomen (inkomsten uit muziek plus andere inkomsten) van rond de € 18.000 en ruim de helft van de musici verdiende het afgelopen jaar niet meer dan € 9.000 bruto met muziek.
• Optreden is de voornaamste bron van inkomsten van de modale popmusicus.
• Jonge musici moeten hun plaats in de muziek verwerven door veel op te treden voor een betrekkelijk lage gage.
• Op gesubsidieerde poppodia spelen vooral jongere musici.

In dit rapport wordt opnieuw bekeken hoe de wereld van popmusici in elkaar steekt op het gebied van inkomen, optredens, overige werkzaamheden en nog veel andere zaken.
Voor ‘Pop, wat levert het op?’ (Meting 2015) is een internet-enquête gehouden onder personen die als popmusicus zijn aangesloten bij de vakbond Ntb en/of als popmusicus in de administratie
zitten van de rechtenorganisatie SENA. Ruim 1.150 personen zijn met de enquête gestart. 360 van deze respondenten bleken niet tot de doelgroep te behoren. De doelgroep bestaat uit personen die aan de volgende voorwaarde voldoen:
• Ten minste 12 uur per week met muziek bezig zijn en er geld mee (willen) verdienen.
• Uitsluitend dan wel overwegend met pop-, rock- en/of dancemuziek bezig zijn.
• In Nederland woonachtig zijn en/of de Nederlandse nationaliteit hebben.

De resultaten van ‘Pop, wat levert het op?’ (Meting 2015) hebben betrekking op bijna 800 personen die aan bovenstaande criteria voldoen.
Het onderzoek heeft betrekking op popmuziek in de ruime zin van het woord. Onder popmuziek wordt verstaan: Een breed scala van muziekgenres, inclusief bijvoorbeeld country, hiphop, punk,
rock&roll en wereldmuziek. In dit onderzoek is popmuziek vooral te onderscheiden van klassieke muziek, jazz en amusementsmuziek.

In dit rapport presenteren we de belangrijkste resultaten en bevindingen van het onderzoek, waarbij (indien mogelijk en relevant) een vergelijking met het onderzoek uit 2008 wordt gemaakt. Hoofdstuk 2 is een beschrijving van de populatie aan de hand van een aantal achtergrondkenmerken. Hoofdstuk 3 gaat over de inkomenssituatie van popmusici. Hoofdstuk 4 beschrijft tevens het inkomen, maar richt zich specifiek op de inkomsten uit muziek. In hoofdstuk 5 worden de optredens van de musici tegen het licht gehouden: hoe vaak spelen ze, waar, en wat verdienen ze ermee? Hoofdstuk 6 geeft een beeld van de opvattingen van popmusici over diverse aspecten van hun vak, zoals subsidieregelingen van de overheid, het streamen van muziek en de toekomst van de popmuziek. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 een samenvatting gegeven van de belangrijkste resultaten.

Samenvatting

Uit de bevindingen in dit rapport zijn de volgende  hoofdpunten naar voren te halen:

• De popmusicus anno 2015 is hoogopgeleid (tweederde deel hbo of hoger). De musici zijn voor ruim tachtig procent van het mannelijke geslacht, met een gemiddelde leeftijd van 43 jaar. Bijna de helft van de ondervraagden behoort tot de uitvoerende musici en van de andere helft noemt een redelijk groot deel zich producer, componist of muziekdocent. (Neder)pop is het meest beoefende genre, gevolgd door rock en dance.

• De modale popmusicus heeft een bruto jaarinkomen van rond de € 18.000 (muziek plus andere inkomsten) en bijna een kwart verdient € 9.000 of minder. De mannelijke musici verdienen ruim meer dan hun vrouwelijkeb collega’s.

• Zestig procent van het totale jaarinkomen wordt verdiend met muziek. Voor het overgrote deel van de musici is het verdienen van geld met muziek niet voldoende om van rond te komen.

• Ruim de helft verdiende bruto € 9.000 of minder met muziek in 2014 terwijl het aantal gewerkte uren is toegenomen met 11 procent. De modale samenwonende popmusicus kan met zijn of haar partner of gezin niet rondkomen van de eigen inkomsten uit muziek en is daarvoor dus mede aangewezen op inkomsten uit ander werk of op inkomsten van de partner. Vrouwelijke musici die
samenwonen zijn veel vaker (mede) aangewezen op inkomsten van hun partner dan mannen die samenwonen. De modale alleenstaande popmusicus kan evenmin rondkomen van uitsluitend inkomsten uit muziek.

• Optreden is de meest genoemde activiteit in de muziek, hiermee wordt bijna de helft van het muziekinkomen gegenereerd. Ook lesgeven wordt door veel musici gedaan (48 procent), hiermee wordt gemiddeld een vijfde deel van het muziekinkomen verdiend. De jongere popmusici genereren relatief meer muziekinkomen met het geven van muziekles dan hun oudere collega’s, deze jonge groep heeft nog vrijwel geen inkomsten uit rechten/ royalties.

• Er is een kleine groep musici die met een muziekinkomen van € 43.000 bruto per jaar duidelijk meer verdient dan de anderen. Deze ‘grootverdieners’ verdienen relatief minder met optreden dan de musici die minder met muziek verdienen en halen een groter deel van hun inkomsten uit rechten en royalties. Verder loopt bij de ‘grootverdieners’ de exploitatie van hun opnamen verhoudingsgewijs meer via winkels en betaalde downloads en minder na optredens.

• 25 procent van de musici die als soloartiest of met één vaste band optreden heeft een contract met een platenmaatschappij. Bij de dertigers (33 procent) ligt dit een stuk hoger dan bij de vijftigplussers (9 procent). Het inkomen uit muziek bij degenen met platencontract ligt hoger dan bij degenen zonder platencontract.

• Van de ondervraagden met een platencontract bestaat een groter deel van hun muziekinkomen uit rechten/royalties dan bij degenen die geen platencontract hebben (24 procent versus 13 procent).

• Van degenen die een platencontract hebben heeft ongeveer een derde deel een licentieovereenkomst en een vijfde deel een distributie- en promotiecontract. Een 360-gradendeal als  platencontract komt bijna niet voor.

• Van alle popmusici die als soloartiest of met één vaste band optreden heeft bijna 40 procent een boekings- en/of managementcontract. In bijna de helft van de gevallen gaat het om een exclusief boekingscontract en bijna een kwart heeft een managementcontract. Een 360-gradendeal komt bijna niet voor.

• Inkomsten uit optredens zijn afhankelijk van het aantal optredens en van de gage per optreden. Jonge musici treden veel op tegen een betrekkelijk lage gage. Ook de vijftigplussers verdienen niet veel per optreden, het zijn de veertigers die de hoogste gage per optreden krijgen. Gages per optreden variëren enorm en hangen niet alleen af van leeftijd maar zijn ook verschillend per podium en per artiest.

• Bij optredens op gesubsidieerde podia ligt bij veertig procent van de optredens de gage onder de € 100.

• Een deel van de popmusici is in te delen op het podium waar ze vooral op acteren. Ze spelen vooral op gesubsidieerde poppodia, inclubs/disco’s, in theaters, op festivals of vooral in cafés of andere horecagelegenheden. Het zijn vooral de jongere popmusici die op gesubsidieerde poppodia spelen en in clubs en disco’s spelen vooral de dertigers. De theaters is meer het terrein voor de veertigplussers en in cafés en andere horecagelegenheden spelen vooral vijftigplussers. Musici die vooral in theaters spelen hebben met afstand het hoogste inkomen uit muziek.

Belangrijkste verschillen met de meting uit 2008: In 2015 zijn de ondervraagden hoger opgeleid dan in 2008 het geval was. In 2015 is de groep twintigers relatief aanmerkelijk kleiner dan in 2008 het geval was. Bij de vijftigplussers is de situatie net andersom. Deze groep is in 2015 relatief juist groter dan in 2008.

In de groep musici van deze meting zitten relatief minder uitvoerende musici en meer producers, componisten en muziekdocenten.

Popmusici werken anno 2015 meer uren (11 procent) in de week tegen een lager inkomen. Het percentage musici dat € 9.000 of minder verdient is in deze meting hoger dan in de meting
van 2008. Het verschil tussen mannen en vrouwen voor wat betreft het jaarinkomen was in 2008 al groot, maar is in deze meting nog groter.

In 2008 groeide het inkomen met de leeftijd, in deze meting is het de groep veertigers die het meest met muziek verdient.

De gemiddelde gage per optreden lag in 2008 voor de vijftigers ruim hoger dan in deze meting het geval is. Het deel muziekinkomen dat uit optredens wordt gegeneerd is in deze meting lager dan in 2008. De inkomsten uit het geven van muziekles/workshops ligt in deze meting juist hoger dan in de vorige meting.
Download hier het volledige rapport (pdf)   Onderzoek CBS Kunstenaars