Brandveiligheid & vergunningen

burning-drums-portrait-drummer-glenn-meling-photography 

Tips brandveiligheid & vergunningen.

Evenementen:

Een buurtfeest, een festival of een manifestatie. Voor het organiseren van evenementen gelden ook regels. Vaak moet er een vergunning afgegeven worden door de gemeente. Dat is ook de instantie waar een vergunning aangevraagd moet worden. Gebruikelijk is dat de gemeente de aanvraag doorstuurt naar de brandweer, om deze te toetsen op de voorwaarden m.b.t. brandveiligheid. De voorwaarden en richtlijnen waarop de brandweer een aanvraag toetst zijn:

  • De doorrijdbreedte voor brandweervoertuigen is tenminste 3 meter.
  • Als een straat moet worden geblokkeerd, dient dit in overleg te gebeuren.
  • De minimale doorrijhoogte is 4,2 meter.
  • Brandkranen moeten rondom 1 meter vrijgehouden worden.
  • Brandkraanbordjes moeten zichtbaar blijven.
  • Aansluitingen voor droge blusleidingen moeten vrijgehouden worden.
  • Toegangen tot belendende percelen mogen niet geblokkeerd worden.
  • Gewone uitgangen en nooduitgangen van o.a. bioscopen, cafés e.d. moeten vrijgehouden worden.
  • De tijdsduur (begin- eindtijd van het evenement) moet aangegeven worden!
  • Containers, schaftketen e.d. moeten 5 meter uit de gevel staan. Bij bijzondere gebouwen van cultuurhistorische waarde is deze afstand 10 meter.

Aan de hand van deze punten wordt al dan niet goedkeuring verleend voor het verstrekken van een vergunning. Tijdens het evenement kan het zijn dat de Dienst Gebiedsontwikkeling afdeling Handhaving van de gemeente ter plaatse komt controleren of aan alle eisen voldaan wordt.

Voor artiesten die werken met eigen licht en decor zijn onderstaande richtlijnen t.a.v. brandveiligheid van toepassing:

Stoffering en versieringen moeten minimaal 50 centimeter vrijgehouden worden van spots en andere warm wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80 graden Celsius bedraagt.

Toepassing van hout, hardboard, triplex, multiplex, spaanplaat

  • Het materiaal moet ten minste 3,5 millimeter dik zijn.
  • Het materiaal moet ten aanzien van vlamuitbreiding kunnen worden ingedeeld in klasse 2, als bedoelt in NEN 6065, uitgaven 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997.

Toepassing van gordijnen en ander textiel in verticale toepassing

  • U mag verticaal textiel nooit toepassen in gangen of trappenhuizen, maar alleen in verblijfsruimtes.
  • Brandbaar textiel moet door impregneren moeilijk brandbaar zijn gemaakt, of moeilijk brandbaar zijn geworden door het materiaal op hout, hardboard, triplex, multiplex of spaanplaat te plakken.
  • De moeilijk brandbare hoedanigheid moet blijken uit een navlamduur van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden, bepaald volgens NEN-EN-ISO 6940, uitgave 1995, en moet vallen in de klasse “niet gemakkelijk ontvlambaar”.

Toepassing van textiel in horizontale toepassing (baldakijnen, hemels e.d.)

  • U mag horizontaal textiel nooit toepassen in gangen of trappenhuizen, maar alleen in verblijfsruimtes.
  • Versieringen in de vorm van vlaggen, parachutes en doeken e.d. moeten zijn onderspannen met metaaldraad op een onderlinge afstand van ten hoogste 35 centimeter of zijn onderspannen met een metaaldraad in twee richtingen met een maaswijdte van ten hoogste 70 centimeter.
  • Makkelijk brandbaar textiel moet tevens door impregneren moeilijk brandbaar zijn gemaakt  (zie voor bijzonderheden onder het kopje “Hoe herkent u brandveilige versiering?”).

Toepassing van kunststof folie

Het materiaal moet op een ondergrond van onbrandbaar materiaal zijn geplakt of op board, triplex, multiplex, spaanplaat of hout in de hiervoor aangegeven hoedanigheid.

Toepassing van kunststof plaatmateriaal

  • Deze stoffen en alle hiervoor genoemde stoffen en materialen moeten voldoen aan NEN 6065, uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, klasse 2.
  • Deze stoffen en materialen mogen nadat zij in aanraking zijn gekomen met vuur of nadat zij aan hoge temperaturen hebben blootgestaan geen prikkelende of voor de gezondheid schadelijke gassen of dampen ontwikkelen en mogen niet druipen.

Toepassing van papier zoals behangpapier, crêpepapier en fotopapier

Het papier moet zijn geplakt op een ondergrond van onbrandbaar materiaal of op board, triplex, multiplex, spaanplaat, hout of glas in de hiervoor omschreven hoedanigheid, dan wel het papier moet door impregneren voldoen aan NEN 6065, uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, klasse 2.

Hoe herkent u brandveilige materialen?

Vooraf geïmpregneerde materialen, van oorsprong veilige materialen; certificaat van de leverancier.

Veel leveranciers bieden brandveilige, brandvertragende of moeilijk ontvlambare materialen aan. Deze bestaan soms uit materialen die uit zichzelf al veilige eigenschappen hebben (zoals aluminium folie), maar het komt ook voor dat de leverancier de materialen heeft geïmpregneerd (zoals crêpepapier). In het verleden is gebleken dat het voor de consument niet eenvoudig is om te zien welke materialen veilig zijn en welke niet. Vraag uw leverancier dus nadrukkelijk naar de artikelen met een brandvertragende kwaliteit. Controleer ook of de verpakking vermeldt dat het om brandveilige materialen gaat.

TIP: Het is verstandig om de verpakking te bewaren om aan te kunnen tonen dat het materiaal een brandvertragende kwaliteit bezit.

Ook zijn soms certificaten in omloop, die namens de fabrikant aan de afnemers worden uitgereikt. Koopt u een dergelijk product, vraag dan om een certificaat van het product dat u koopt en bewaar het in uw bedrijf. Een toezichthouder kan verlangen dat u een certificaat laat zien. Als de materialen uit de verpakking zijn gehaald, is echter nauwelijks meer te achterhalen aan welke eis het materiaal precies voldoet.

Het kan dus zijn dat een toezichthouder namens de gemeente uw materialen alsnog wil beproeven. Hij zal daarbij een vaste testmethode toepassen, die hieronder is beschreven.

Het impregneren van materialen is een specialistische bezigheid. U moet dit dan ook laten verzorgen door een gespecialiseerd bedrijf. Indien u materialen laat impregneren dient u een schriftelijk bewijs te vragen, waarmee het bedrijf aantoont dat het materiaal door de behandeling aan de gestelde eisen voldoet.

Let u er in ieder geval op dat het bedrijf dat de materialen impregneert gecertificeerd is volgens een norm uit de ISO 9000-reeks, die van toepassing is op de activiteiten waarvoor u opdracht heeft gegeven. 

Eenvoudige brandproef

U dient de brandveiligheid van materialen met een eenvoudige proef zelf testen. Daarbij gaat u als volgt te werk:

  • U neemt een monster (5 x 25 cm) van het materiaal;
  • U gaat naar buiten en houdt een uiteinde van het monster gedurende minimaal 5 seconden in een vlam, zoals bijvoorbeeld van een aansteker of lucifer (Nb. houd het monster vast met een metalen tang o.i.d. Iet op dat u zich niet brandt);
  • Wanneer het monster vlam heeft gevat of nadat 5 seconden zijn verstreken neemt u de ontstekingsbron weg.

Het materiaal voldoet als aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • Tijdens de verhitting zijn geen druppels vrijgekomen (al of niet brandend of druipend);
  • Tijdens de verhitting zijn geen roetvlokken vrijgekomen;
  • Het materiaal heeft geen vlam gevat of de vlammen zijn gedoofd ONMIDDELLIJK nadat de aansteker of lucifer is weggenomen. Er is één uitzondering op deze bepalingsmethode voor textiel dat uitsluitend verticaal wordt toegepast. Op basis van Europese normalisatie, en regelgeving gelden voor gordijnstoffen andere regels. Van deze materialen mag het monster maximaal 15 seconden navlammen en maximaal 60 seconden nagloeien.

Een groot deel van de branden wordt veroorzaakt door elektra. In elektrische installaties die worden overbelast of niet goed worden onderhouden, kan zich plaatselijk veel warmte ontwikkelen. Die warmte kan de oorzaak zijn van het ontstaan van een brand. Omdat er steeds meer apparatuur op de elektrische installatie wordt aangesloten, is de kans op brand door elektra de afgelopen jaren flink gestegen. Gelukkig kunt u zelf al heel veel doen om de kans op brand door elektra te verkleinen. 

Aarding

Ieder gebouw is voorzien van een aardleiding. Als er een defect in een apparaat of installatie optreedt, wordt de stroom door het stopcontact afgevoerd via de aardleiding. De stop (zekering) in de meterkast slaat door of de aardlekschakelaar schakelt de elektriciteit uit.

Tips:

  • Gebruik zoveel mogelijk apparaten met een geaarde stekker. Apparaten waarvan de aanraakbare onderdelen van metaal zijn moeten zeker geaard zijn. Een geaarde stekker moet vervolgens natuurlijk ook in een geaard stopcontact.
  • U merkt zelf niet of de aarding van uw installatie nog in orde is. Laat dit een keer per tien jaar controleren door een erkend elektrotechnisch installateur.
  • Test de aardlekschakelaar twee keer per jaar, bijvoorbeeld als de zomer- of de wintertijd ingaat. Om uw bedrijfsprocessen niet te verstoren, gaat dat natuurlijk het beste aan het einde van de werkdag.
  • Als er iedere keer een stop doorslaat zonder dat u een oorzaak kunt vinden, is er waarschijnlijk iets met de installatie aan de hand. Neem snel contact op met een erkend elektrotechnisch installateur.

De elektrische installatie zelf

Een elektrische installatie moet worden aangelegd en onderhouden door een erkend elektrotechnisch installateur. Toch kunt u uw bedrijf zo veilig mogelijk houden door uw installatie steeds met een kritische blik te bekijken. Als u zaken ziet die niet goed zijn, schakelt u de vakman in.

Tips:

  • Soms worden onderdelen van een elektrische installatie niet meer gebruikt, maar blijven wel aan de installatie gekoppeld. Er kan dus nog spanning op staan. Laat deze onderdelen weghalen en verwijder ook de leidingen en kabels die niet meer gebruikt worden.
  • Omgekeerd wordt een installatie soms ook uitgebreid. Laat dat altijd doen door de vakman.
  • Zorg dat de elektrakasten stofdicht zijn afgesloten, zodat er geen stof en ongedierte (muizen!) in de kasten kunnen komen. Stof in combinatie met warmte kan brand veroorzaken. Gebruik de kast ook niet voor de opslag van andere spullen. Leg er niets in, op of tegenaan.

 Alles wat is aangesloten op de elektrische installatie

Alle machines, computers en apparaten die u in uw bedrijf gebruikt, zijn met elkaar verbonden. Ook hier kunt u met een kritische blik veel problemen voorkomen.

Tips:

  • Gebruik geen stopcontact dat kapot is, met plakband is ‘gerepareerd’ of slecht bevestigd is. Laat dit eerst herstellen.
  • Een defecte TL-buis in een TL-armatuur (die knippert, of helemaal geen licht meer geeft) raakt oververhit en is vaak de oorzaak van brand. Vervang de TL-buis dus meteen.
  • Een ‘spaghetti’ van snoeren onder een bureau wordt te warm. Zorg dat de snoeren netjes zijn weggewerkt.
  • Gebruik zo min mogelijk verdeelstekkers en verlengkabels, maar sluit apparaten zoveel mogelijk direct op het stopcontact aan. Lukt dat niet, gebruik dan maximaal één verlengkabel.
  • Gebruikt u een kabelhaspel, rol deze dan helemaal uit. Zo voorkomt u dat het nog opgerolde deel van het snoer te warm wordt.
  • Kijk of aansluitkabels van elektrische apparaten goed zijn geïsoleerd. De mantel mag niet beschadigd zijn. Aansluitkabels mag u ook nooit vastspijkeren of -nieten. U kunt de kabels beschermen tegen beschadiging met een flexibele beschermbuis.

Schakel altijd de deskundige in!

Hebt u vragen over uw installatie? Twijfelt u of alles in orde is? Wilt u uw installatie uitbreiden? Schakel altijd een erkend elektrotechnisch installateur in.

Wanneer u vragen heeft over deze tekst, of over zaken op het gebied van brandpreventie, kunt u contact opnemen met de afdeling veiligheidsmanagement van de brandweer in uw gemeente.